Hoeveel vertrouwen hebben Nederlanders in de wetenschap?

Screen Shot 2014-05-30 at 20.49.58Rapport door Will Tiemeijer (WRR) en Jos de Jonge (Rathenau Instituut)

Anders dan tegenwoordig wel wordt beweerd, hebben Nederlanders nog steeds groot vertrouwen in de wetenschap, meer dan bijvoorbeeld in de Tweede Kamer, de rechtspraak of de kranten.

Dit concluderen onderzoekers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Rathenau Instituut. Zij legden een enquête over wetenschap en wetenschappers voor aan een representatieve steekproef van 800 Nederlanders. De resultaten van het onderzoek zijn onderbouwd met heldere grafieken. Het belang van wetenschap is groot in het canvas van het publieke domein. Immers fact finding is cruciaal bij het nemen van besluiten. Tenminste dat is de hypothese.

Enkele citaten uit de samenvatting (p 59-63):

In Engeland en de Verenigde Staten zijn meer (longitudinale) gegevens beschikbaar.Daaruit blijkt vooralsnog geen daling in het vertrouwen in wetenschap of in wetenschappers, met één belangrijke uitzondering: in de afgelopen jaren is in de Verenigde Staten het vertrouwen in de wetenschap aantoonbaar gedaald onder mensen die zichzelf beschouwen als conservatief, en dan met name onder hoger opgeleide conservatieven. Blijkbaar is wetenschap daar gepolitiseerd geraakt.

Screen Shot 2014-05-30 at 20.41.28

Het vertrouwen in wetenschap werd op twee manieren gemeten. Ten eerste werd helemaal aan het begin van de enquête (dus nog voordat duidelijk werd dat de enquête over wetenschap zou gaan) aan de respondenten gevraagd hoeveel vertrouwen zij hebben in acht verschillende instituties. Eén van deze instituties was ‘de wetenschap’. Andere waren onder meer ‘de regering’, ‘de kranten’ en ‘de rechtspraak’. Het bleek dat van deze acht instituties ‘de wetenschap’ het meest wordt vertrouwd.

Ten tweede werden verderop in de enquête twee ‘problemen’ aan de respondenten voorgelegd, te weten ‘de opwarming van het klimaat’ en ‘vaccinatie voor een nieuwe besmettelijke ziekte’. Vervolgens werd de respondenten gevraagd hoeveel vertrouwen ze hebben in verschillende mogelijke bronnen met informatie over die problemen. Het betrof onder meer ‘wetenschappelijke onderzoeksinstellingen’, ‘media (kranten en tv)’ en ‘andere burgers op internet’. Ook hier scoorde wetenschap heel goed. Voor klimaatopwarming beschouwde men ‘wetenschappelijke onderzoeksinstellingen’ als de betrouwbaarste bron.

Al met al lijkt er zeker geen sprake van een ‘crisis’ in het vertrouwen in ‘de wetenschap’.

… is nog niet de helft van de respondenten het eens met de stelling dat ‘verreweg de meeste wetenschappers eerlijk en betrouwbaar zijn’ en meent zo’n dertig procent dat ‘het regelmatig gebeurt dat wetenschappers met een afwijkende mening het zwijgen wordt opgelegd’. Slechts weinigen onderschrijven dat ‘de universiteiten ervoor zorgen dat wetenschappers vrijwel geen kans krijgen om te frauderen’. Ten aanzien van de beroepspraktijk lijkt er dus toch enige scepsis te bestaan.

Dit gemengde resultaat doet denken aan een patroon dat bekend is uit politicologisch onderzoek. Daar meet men doorgaans hoge scores als het gaat om steun voor ‘de democratie’ in het algemeen, maar beduidend minder vertrouwen als het gaat om de concrete actoren die de hoofdrollen vervullen in de democratie, zoals ‘de regering’, ‘de politieke partijen’ of concrete politici (Dalton 2004). Ook in dit onderzoek zien we veel vertrouwen in ‘de wetenschap’ als institutie c.q. ideaal, maar minder vertrouwen als het gaat om de wetenschappers en hun instellingen. Welbeschouwd is dit niet onlogisch. Juist als men zoveel waarde hecht aan het wetenschappelijke ideaal en daarin door opleiding ook enigermate in gesocialiseerd is, kan het gaan opvallen (en storen!) dat de ‘vertolkers’ van dat ideaal, te weten concrete wetenschappers van vlees en bloed, niet altijd aan die hoge verwachtingen en eisen voldoen.

Wetenschap speelt zich niet af in een isolement, maar kan bevindingen opleveren die betekenis hebben voor het actuele politieke debat. Dat kan invloed hebben op de acceptatie van specifieke bevindingen en op het vertrouwen in wetenschap in het algemeen. Zoals gezegd is er in de Verenigde Staten sprake van een afname in vertrouwen onder (met name hoger opgeleide) conservatieven. Die kan verklaard worden uit het feit dat nogal wat wetenschappelijke bevindingen haaks staan op conservatieve preferenties en de conservatieve identiteit. Het lage vertrouwen bij deze groep lijkt dus niet primair voort te komen uit gebrek aan kennis over en begrip van wetenschap, en evenmin uit gevoelens van onbehagen, maar lijkt – op zijn minst ten dele – politiek ideologisch gemotiveerd.

Toch lijken overtuigingen niet geheel zonder invloed. Dat blijkt onder meer bij twee uitspraken over klimaatverandering. Aan de respondenten werd gevraagd of het volgens hen waar of onwaar is dat ‘de temperatuur op aarde langzaam maar zeker stijgt’, en of het waar of onwaar is ‘dat de mens een belangrijke oorzaak is van klimaatverandering’. De grote meerderheid dacht dat deze uitspraken waar zijn, een kleine minderheid dacht dat ze niet waar zijn. Het blijkt nu dat deze ‘klimaatsceptici’ in termen van culturele oriëntatie relatief vaak in de hiërarchisch-individualistische hoek zitten.

Aan het begin van dit verslag werd gesteld dat we een onderscheid moeten maken tussen de betrouwbaarheid van de wetenschap en het vertrouwen in de wetenschap. Het eerste heeft betrekking op het feitelijk functioneren en presteren van wetenschap en van wetenschappers, het tweede op de beoordeling daarvan door het publiek. Het lijkt een logische veronderstelling dat als de betrouwbaarheid van wetenschap wordt verhoogd, bijvoorbeeld door maatregelen om integriteit, zorgvuldigheid en kwaliteit te bevorderen, dat ook zal leiden tot (nog) meer vertrouwen in de wetenschap.

De meeste mensen lijken echter een positiever beeld van wetenschap te hebben. Het vertrouwen in ‘de wetenschap’ is vergeleken met het vertrouwen in andere instituties in ieder geval hoog. Bovendien, voor zover er longitudinale gegevens zijn, wijzen die eerder op een toename in positieve attitudes ten aanzien van wetenschap – een samenleving die ‘more at ease’ is met wetenschap – dan op een daling. Kennelijk hechten mensen grote waarde aan de idealen van wetenschap, aan de belofte van ware kennis, vrij van religieuze of politieke invloeden. Dat is ook zichtbaar in het publieke en politieke debat.

Illustratief is de wijze waarop daarin wetenschappelijke claims worden bestreden waar men het niet mee eens is. Tegenover wetenschappelijke resultaten stelt men niet, zoals in vroeger tijden, het woord van God of de kerk, maar andere wetenschappelijke resultaten. Gepassioneerde burgers en organisaties verdiepen zich in de literatuur, doen eigen onderzoek, en ontwikkelen zich tot experts die in kennis soms niet onderdoen voor ‘officiële’ wetenschappers. Specifieke wetenschappelijke claims mogen dan misschien meer dan voorheen worden betwist, maar het strijdmiddel is niet een verwerping van de wetenschappelijke idee als zodanig, maar betere wetenschap, dat wil zeggen, onderzoek dat een betere of objectievere weergave zou geven van ‘de ware feiten’.

Dit kan natuurlijk makkelijk leiden tot politisering van de wetenschap. Zij staat niet langer als onpartijdige empirische scheidsrechter tussen de partijen, maar wordt het politiek-culturele conflict ingetrokken. Misschien is dat wel het beste bewijs voor de autoriteit van wetenschap. Immers, wie zou erom malen wetenschappers voor het eigen karretje te spannen als publiek noch politiek enig gezag zouden toekennen aan wetenschappelijk onderzoek? Tegelijkertijd is het geen onverdeeld genoegen voor de betrokken wetenschappers. Het kan ertoe leiden dat hun claims niet langer alleen op wetenschappelijke gronden worden aangevallen, maar ook vanuit politieke of ideologische motieven.

Wie onderzoek doet dat bepaalde lieden slecht uitkomt, kan zomaar opeens in de vuurlinie terechtkomen. De politieke strijd wordt een wetenschappelijke strijd waarin de onderzoeken over en weer vliegen, en het ideaal van de neutrale en onpartijdige wetenschap verder weg dan ooit lijkt. Het grote publiek is meestal slechts toeschouwer bij dit soort controverses. Tegelijk worden zij wel geacht zich hierover een mening te vormen, al was het maar omdat Maurice de Hond ernaar vraagt.

De meeste burgers kunnen niet zelf beoordelen of een wetenschapper gelijk heeft of niet. Daarvoor missen zij de expertise. Ze moeten dus afgaan op andere tekenen van (on)betrouwbaarheid. Vroeger waren een witte jas en een academische titel voldoende voor geloofwaardigheid, maar die tijd is voorbij. Volgens het SCP kijken burgers vooral naar een verondersteld belang. ‘Mensen en instellingen met een grote deskundigheid en inzet voor het algemeen belang worden vaker vertrouwd dan die met minder deskundigheid of met sterke persoonlijke belangen’ (Den Ridder & Dekker 2010, p. 19).

Met name financiële banden zijn reden tot achterdocht. De Engelse ‘Science and Trust Expert Group’ constateert dan ook dat ‘what appears to be a crisis of trust in science per se is better considered a crisis of trust in industry and government sponsored science’.  Deze argwaan klinkt ook door in enkele resultaten van dit onderzoek, zoals de door velen onderschreven stelling dat wetenschappers onafhankelijk van overheid en bedrijfsleven hun onderwerpen moeten kunnen kiezen. ‘Wie betaalt, bepaalt’, zo luidt de gangbare wijsheid (zie ook Knottnerus & Van de Klippe 2011). Dit betekent dat er een spanning is tussen enerzijds de tendens om universitair onderzoek steeds meer door belanghebbenden te laten (mede) financieren en anderzijds de wens het vertrouwen in wetenschap te verhogen. De vraag voor beleidsmakers is hoe een goede balans te vinden tussen beide belangen.

Download het volledige rapport